Home » Preview

foto: de eerste doos met Engel (28 mei 2019)

HOOFDSTUK 3

 

Februari 2007

Mijn lief draagt Mees. Ik geef hun een afscheidsknuffel voor ze in alle vroegte naar het kinderdagverblijf vertrekken en mijn lief naar de Hogeschool aan de andere kant van het land zal reizen. Vier uur reizen per dag, voor een werkdag van minstens acht uur. De droombaan was onverwacht snel werkelijkheid geworden waardoor we al na een paar maanden voelden dat we een keuze moesten maken: of de baan opgeven, of dit huis. Het werd het laatste. Het verkoopbord in de voortuin is daarvan het bewijs. Mees geeft me een onverwacht natte zoen terug, zo’n kleffe smakzoen zoals die er bij tweejarigen tussen kunnen zitten. Ik zwaai ze uit, een ritueel waar Mees veel waarde aan hecht. Al vergeet hij, snel afgeleid als hij is, op het moment zelf vaak naar me te kijken. Ook nu gaat zijn aandacht naar de buurman die in zijn auto stapt. “Mees, ik zwaai naar je!” Hij zwiept zijn hoofd opzij, kijkt me met een brede grijns aan en zwaait blij terug.

Het is halfacht. Nog alle tijd om het gesprek van vandaag voor te bereiden voor mijn vaders levensverhaal; hij is inmiddels geen ochtendmens meer. Ik zet een Bach-cd op, pak een kop koffie en ga aan tafel zitten. Ik negeer de rommel door alles in één veeg opzij te schuiven en leg mijn pen en schrijfblok voor me. Ik laat de bladzijden van onder naar boven tussen mijn duim en wijsvinger door glijden. Trrrt. Trrrrrt. Trrrrrrrrt. Ik neem een slok te hete koffie, vouw mijn handen om de warme mok, sluit mijn ogen en laat de sobere melodielijnen tot me doordringen. Dan kijk ik naar het kladblok. Tientallen volgekalkte velletjes papier, gevuld met mijn vaders leven, met antwoorden die veel meer omvatten dan sec zijn biografie. Met verscholen tussen de regels de ontstaansgeschiedenis van mijn huidige staat van zijn.

Ik moet nu elke onvolledige zin uitschrijven. Tot een paar dagen na een interview komen de ontbrekende woorden moeiteloos bij me naar boven zodra ik mijn ‘steno’ teruglees. Als ik langer wacht en de tijd inmiddels is gevuld met tal van nieuwe indrukken of intensieve gesprekken, bestaat de kans dat ik de precieze woordkeuze, intonatie of kleur van een zin ben vergeten. Bovendien moet ik op zoek naar hiaten en oppervlakkigheden in zijn verhaal, om straks doelgericht de diepte in te gaan; de kans is groot dat vandaag ons laatste interview zal zijn. Ik lees de tekst aandachtig door. Kantjes vol over zijn jeugd en zijn liefde voor muziek, met daartussen slechts enkele losse zinnen over de meest complexe materie uit zijn leven:

Die eerste keer had niemand een idee wat er met me aan de hand was. De huisarts dacht aan overspannenheid door de drukke periode voor mijn luitexamen… Uiteindelijk kreeg ik grootheidswanen. Einde citaat. Met daarna een paar witregels. In de kantlijn een kleine notitie: zet koffie. Mijn manier om naderhand, tijdens het uitschrijven van een interview, in één oogopslag te zien dat het thema van een gesprek verandert, of dat er op dat moment iets gebeurt dat ik later wellicht als sfeerbeschrijving kan gebruiken. Zo ging hij, toen hij het ontstaan van de manie kort ter sprake bracht, koffiezetten. Hij had houterig de pads erin gedaan en zei: “Heb tegenwoordig een Senseo, heerlijk. Je weet, ik ben niet van de apparaten, maar deze heb ik mezelf maar cadeau gedaan.”

“Groot gelijk. Maar die manie.”

 “Ja, waar was ik… het begon op een middag. Ik voelde me niet lekker en ging op bed liggen. Dat doe ik echt nooit. Maar ik had enorme koppijn. Boven in bed ging het opeens helemaal mis: ik werd overmand door angst. Echt, ik dacht dat ik doodging.”

Gevolgd door nog meer witregels. Dit keer echter geen noemens-waardige sfeer genoteerd, geen nieuw thema. Het onbeschreven papier verbergt slechts één simpele vraag van hem, aan mij. Hij had zijn verse kopje koffie onder het apparaat vandaan gehaald, was teruggelopen naar de bank en vroeg: “Was jij daar eigenlijk bij?”

Ik sla het kladblok dicht, ruim alsnog de rommel op en ga de hond uitlaten. Daarna verdiep ik me opnieuw in mijn aantekeningen, om een uur later te concluderen dat ik nog behoorlijk wat antwoorden nodig heb, om tot een enigszins compleet verhaal te komen. Als journalist. Niet als dochter. Dan zou mijn vragenlijst aanzienlijk langer zijn. En grimmiger. Toch mag het vanmiddag geen kruisverhoor worden. Ik moet zorgen voor warmte, harmonie. Hij moet het prettig vinden om zijn verhaal aan me te vertellen. Iedere confrontatie tussen vader en dochter zou zich later vertalen in een blijvend hiaat in zijn levensverhaal. Laveren tussen zijn grenzen, mijn grenzen en bovenal de tijd: als gevolg van de uitzaaiingen in zijn lever kan zijn lichaam de stemmingsstabilisator Lithium onvoldoende opnemen, waardoor de kans dat mijn vader voor zijn dood nog een keer manisch wordt ongeveer honderd procent is. Een verstikkend vooruitzicht. Al weet ik dat hij zich in een manie gelukkig voelt. Sterven is ongetwijfeld eenvoudiger als je op het moment dat je je laatste adem uitblaast zodanig bent vervuld van je eigen genialiteit dat God blij mag zijn dat hij eindelijk Brord Gerritsen gaat ontmoeten.

“Het gaat een fijne dag worden”, zeg ik hardop, terwijl ik de door stress omgeven weerstand negeer die ik vanbinnen voel opkomen. Weerstand om wat komen gaat. Na al die jaren zijn de miniemste veranderingen in mijn vaders gedrag voor mij genoeg om te weten dat ik straks niet alleen mijn vader zal ontmoeten, maar ook de beginnende contouren van zijn alter ego.

 

“Hoi”, glimlacht hij, terwijl hij me binnenlaat. “Pap, voor we gaan moet ik eerst even plassen.”

“Dat moet je zelf doen.” Kan ik iets afleiden uit de toon waarmee hij die opmerking uitsprak? Nee, niet doordraven Freya, het is een heel normale opmerking. “Het weer zit in ieder geval mee”, zeg ik als ik van de wc afkom. “Ja, het is prachtig.”

In de auto praten we amper. Hij kijkt naar het landschap dat aan ons voorbijtrekt, terwijl we op zijn verzoek via binnenwegen - en vooral niet via de snelweg - naar Malden rijden, de plaats waar we deze zomer naartoe zullen verhuizen. Eerder had ik de huidige bewoonster op de hoogte gesteld van mijn vaders ziekte en gevraagd of ik hem nu al onze toekomstige woning mocht laten zien.

Ze heeft ons blijkbaar zien uitstappen want nog voor ik heb aangebeld opent ze haar voordeur en begroet ons enthousiast. Tijdens de koffie kletsen ze ontspannen, alsof ze elkaar al jaren kennen. De winterzon verlicht de kamer. Even lijkt de kanker ver weg.

Tot de lunch in een café in Berg en Dal, waarvan mijn vader meer dan de helft op zijn bord laat liggen. “Heeft het u niet gesmaakt?”, vraagt de bediende vertwijfeld als ze onze borden ophaalt. “Jawel, zeker wel. Maar ik heb een beetje last van mijn maag.”

“O, oké, want als er iets mis is, moet u het gewoon zeggen.”

“Nee echt niet, het was zalig”, benadrukt hij. “Het was lekker”, bevestig ik, terwijl ik me afvraag wat haar reactie zou zijn geweest als mijn vader de oppervlakkige beleefdheden achterwege zou hebben gelaten: “Weet u, een uitsmijter en een buik vol kanker, dat gaat niet echt lekker samen.” Als we richting de auto lopen, steekt mijn vader vertrouwd zijn arm naar me uit. Misschien wel voor de laatste keer. Volgens de prognose nog een week of zes te gaan. We slingeren via binnenwegen terug naar zijn huis. Hij heeft zijn stoel wat naar achteren gedraaid en sluit af en toe zijn ogen. Hij is overduidelijk vermoeid van ons bezoek. Juist als ik denk dat hij slaapt, zegt hij: “Dat huis in Malden is goud waard. Daar kan de honderdduizend uit de loterij niet tegen op. Als jullie daar niet gelukkig worden, ligt dat echt aan jullie…”

“We zijn er ook heel blij mee. Het bos is nog geen vijf minuten fietsen, heerlijk!”

“Zeker.”

“Pap?”

“Ja?”

“Vind je het goed om thuis meteen met je levensverhaal verder te gaan? Ik heb nog veel vragen, en -” Ik maak mijn zin niet af. “En..?”

“En ik ben bang dat we niet genoeg tijd meer hebben. Ik wil het namelijk uitschrijven voordat je… Ik bedoel, ik wil graag dat je het zelf nog kunt lezen.” Hij geeft geen antwoord. “Pap?”

“Dat komt wel goed, Freya”, zegt hij kortaf.

 

“Zo, nu zal ik eerst eens een mooi stukje muziek opzetten. Wil je klassiek of pop?”, vraagt hij. ”Doe maar klassiek.” Hij bekijkt zijn cd-rek aan de muur, maar komt al snel uit bij de stapel losse cd’s naast zijn stereotoren. “Wil je koffie?”

“Nee, doe maar niet. Het smaakt me de laatste dagen niet meer. Vreemd eigenlijk hè, hoe dat werkt.” Ik denk aan het kopje koffie dat hij in Malden beleefd had aangenomen. Hoe trots mijn vader in de basis ook is, hij kan soms opvallend bescheiden zijn. “Vreemd niet, eerder confronterend. Wil je liever sap?”

“Ja, geef maar wat jij me laatst aanraadde, dat is inderdaad lekker.”

”Fijn dat dat je nog wel smaakt.”

 “Ja. En weet je wat ik tegenwoordig ook zalig vind?”

“Nou?”                                                                                                                                        

“Een kroket!”

“Dan gaan we die straks toch halen?”

“Goed idee, dan lopen we naar de snackbar van hiernaast”, antwoordt hij enthousiast. Iets te enthousiast. “Prima.”

“Ben je daar wel eens geweest? Ze hebben daar echt goed spul.”

“Nee dat geloof ik niet”, reageer ik vriendelijk, hoewel zijn vraag me irriteert. “Tja, ik denk toch dat ik maar eens begin met onze vriend Bream.” Ik neem zijn bewegingen in me op: hoe hij hurkt voor zijn muziekinstallatie en vertrouwd houterig een cd opzet, alsof hij na tien jaar nog steeds moet zoeken naar de knoppen. Als het gitaarspel begint, kiest hij zorgvuldig het juiste volume voordat hij weer op de bank gaat liggen. Zwijgend luisteren we naar de muziek. Na een poosje vraag ik wat Bream voor hem zo speciaal maakt. Hij vertelt me bevlogen over zijn idool, tot hij zegt: “Helaas is het er in mijn leven barweinig van gekomen om naar concerten te gaan.” Voor het eerst hoor ik verdriet in zijn stem, wat maakt dat ik even wacht voor ik vraag: “Kun je je nog het moment herinneren waarop je je eerste gitaar kreeg?”

“Zeker. Ik was zeven en kreeg hem voor sinterklaas. Hij zat verstopt in de kippenschuur. Toen ik hem vond was ik zo ongelooflijk blij!”

“En precies veertig jaar later, toen Lukas zeven was, heb jij voor hem op pakjesavond in ónze schuur een gitaar verstopt.”

“Nu je het zegt, dat is waar ook! Eerst kreeg hij een mislukt exemplaar die je moeder bij de vuilnis had gevonden, Luuk was helemaal in tranen, tot hij de echte vond.”

In de stilte die volgt geef ik mijn vaders herinneringen de ruimte. Al besef ik dat ik de moeilijke onderwerpen niet veel langer kan uitstellen. Ik weeg mijn opties af en besluit er via een omweg naartoe te gaan. “Heb je vroeger eigenlijk veel opgetreden?”

“Best wel, zowel in een ensemble als alleen.”

“Heb je ooit een lp opgenomen?”

“Nee, zover is het nooit gekomen…” Er valt een pijnlijke stilte. Ik besluit niet door te vragen en begin eerst over zijn werk. “Maar ook in het lesgeven heb je veel plezier gehad, toch?”

“Zeker, lesgeven blijft een van de mooiste vakken.”

“Al zie ik je niet gelukkig worden van ongemotiveerde leerlingen.” Net als hij me heeft verteld hoe hij met zijn leerlingen omging en het moment daar is om over zijn ziekte te beginnen, gaat de telefoon. Wat een pruttiming. Mijn vader staat moeizaam op. “Met Brord. …Hai! Wat leuk dat je belt! ...Naar omstandigheden goed, dank je. En met jou? ...O, dat is goed om te horen. Wat zeg je? …Het gaat, met pijnstilling is het goed uit te houden. Verder krijg ik overweldigend veel post en telefoontjes. Dat werkt beter dan welk medicijn dan ook.” Hij lacht uitbundig. Te uitbundig. Houd op, Freya. Toch schrijf ik drie woorden in de kantlijn van mijn notitieblok: lacht te uitbundig. “Hoe is het op de muziekschool? …Mooi. …Ja, ik heb laatst een fijn gesprek gehad met de huisarts en die komt sindsdien wekelijks langs, een heel prettig gevoel. En mijn dochter is er nu. Ze vraagt me het hemd van het lijf! …Zal ik doen. Bedankt voor het bellen. Dag.” Mijn vader legt de hoorn neer. “Dat was een collega, die loopt ook al jaren op de muziekschool rond. Een aardige vent.”

“Leuk dat hij belt. Ik begrijp dat de huisarts je nu regelmatig bezoekt?”

“Ja. Laatst heeft Lukas me ernaartoe gereden en heb ik een goed gesprek met hem gehad. Hij beloofde wekelijks langs te komen, ook om de pijnbestrijding goed in de gaten te houden.”

“Hebben jullie het toen ook over euthanasie gehad?”

“Wel over dat ik niet wil rekken, maar niet expliciet over euthanasie.

Ik wil niet op die zaken vooruitlopen. Alles op zijn tijd.”

“Fijn dat Lukas je kon brengen”, verander ik van onderwerp. “Nou!” Mijn vader schiet vol en zegt: “Lukas is een heel sociale jongen.”

“Dat is-ie zeker”, antwoord ik positief verrast. Stilte. “O, hoe laat is het eigenlijk?”

“Bijna zes uur.”

“Dan is het tijd voor mijn pillen.” Hij staat op, pakt paracetamol en een maler uit de keuken en gaat weer zitten. “Zullen we weer verdergaan?”

“Kijk, da’s een heel handig dingetje. Heeft mijn oudste broer laatst voor me meegenomen.” Het is een klein houten bakje met een houten staafje waarmee je medicijnen kunt vermalen. “Mooi”, zeg ik als een boer met kiespijn omdat we na een lange zoektocht een vermaler bij de apotheek hadden gevonden en ik me als een klein kind had verheugd op zijn blije reactie. “Papa, wat ik me nog afvroeg, je zei in ons vorige gesprek dat -”

“Ik wil je zo nog een ander stuk muziek laten horen”, onderbreekt hij me. “Oké, maar de tijd gaat snel en ik heb best veel vragen.”

“Sprak mevrouw de journalist.”

“Zoiets ja. Maar, uhm… weet je zelf waardoor je manisch-depressief bent?”, ga ik versneld op mijn doel af. Hij denkt kort na. “Nee, dat weet ik niet. Waarschijnlijk heeft het een genetische oorzaak. Al heb ik zelf ook sterk het gevoel dat ik mezelf in mijn luitperiode heb overspeeld…”

“De vorige keer vertelde je dat de eerste gedwongen opname het moeilijkste was uit je leven.”

“Ja, dat is nog steeds zo. Het voelde alsof m’n poten onder m’n lijf vandaan werden gerukt. Alles stortte als een kaartenhuis in. Ik was maanden uit de roulatie. Met behulp van medicijnen kregen de artsen mijn brein weer onder controle. Maar sinds die tijd heb ik nooit meer mijn oude niveau gehaald.”

“En niet meer opgetreden.”

“Nee, nooit. Na die eerste manie heb ik ook nooit meer luit gespeeld.”

Ik schrijf nog wat woorden op en kijk iets langer in mijn kladblok dan nodig. Mijn vader zegt niets meer en dat geeft zijn laatste zin onbedoeld extra gewicht. Ik voel zijn ingehouden verdriet. Hoe graag ik hem ook iets troostends wil zeggen, ik weet dat ik hem nu met rust moet laten. Ik mijd oogcontact en neem zijn woonkamer in me op.

Vanaf de eerste dag dat hij hier vijf jaar geleden introk, was hij verguld met dit huisje en de bomen waarop hij uitkijkt. Tot zijn genoegen waren de vijf woningzoekenden vóór hem op de lijst dat niet. Waarschijnlijk omdat Wolfheze geen winkels heeft. Of omdat het huis vlak bij de psychiatrische inrichting staat. Iets waar mijn vader overigens zelf altijd de humor van heeft ingezien: “Als ik weer doordraai hoef ik alleen maar het spoor over te steken”, zei hij ooit.

Als je dan maar wel oversteekt en er niet op gaat liggen, had ik bijna geantwoord. Hoewel hij waarschijnlijk om die opmerking zou hebben gelachen, slikte ik die woorden toch maar in. Ik kijk mijn vader weer aan. Hij ziet er vermoeid uit. Beter geen moeilijke vragen meer. Om het gesprek wat minder abrupt te laten eindigen, stel ik een luchtige, laatste vraag. “Heb je eigenlijk een lievelingsboek?”

Ik heb de woorden nog niet uitgesproken of ik besef dat ik het antwoord al weet. “Ja, dat heb ik. Honderd jaar eenzaamheid, van Gabriel Márquez.” Wat stom van me. Natúúrlijk wist ik dat. Mijn moeder heeft me ooit verteld dat dat boek tijdens mijn vaders eerste manie een grote rol heeft gespeeld, zo intens was hij erdoor geraakt. Hij wilde per se een woongroep oprichten, zoals beschreven in dat boek. Zo pakt mijn luchtig bedoelde vraag misschien alsnog verkeerd uit. “O…”, antwoord ik neutraal. Mijn vader staart voor zich uit. Ik wacht af of hij zijn gedachten met me wil delen, maar zijn stilte duurt voort. “Zullen we naar de snackbar gaan?”, stel ik daarom voor. “Ja, laten we dat maar doen.”

We wandelen zijn hofje uit, gaan naar links en dan meteen weer rechtsaf het spoor over. In mijn handrolstoel let ik extra goed op dat mijn voorwielen niet overdwars klem komen te zitten tussen de rails. Zelfs al steek ik op mijn achterwielen over, dan nog heb ik het visioen van een voortdenderende trein die me op een haar na raakt. Na het spoor gaan we naar rechts. Het terrein van de psychiatrische inrichting ligt er verlaten bij. Geen verwarde of te uitbundige mensen die ons aanspreken. Gelukkig ligt de snackbar aan het begin, ver weg van de gesloten afdeling. Net voordat mijn vader de deur voor me openhoudt, stel ik op de valreep een belangrijke vraag. “Het is even afwachten of ik het red in combinatie met mijn werk, maar ik probeer zo snel mogelijk aan je verhaal te beginnen, en -”

“Je werk gaat absoluut voor, dat weet je.”

“Ja. Maar ooit wil ik een boek schrijven. Mag ik daarvoor jouw verhaal gebruiken?”

“Je mag ermee doen wat je wilt.”

“Fijn, bedankt”, antwoord ik opgelucht.

In de snackbar vraag ik me bij elk bezet tafeltje af wie patiënt is en wie bezoek. En bij de tafels waar dat overduidelijk is, vraag ik me af wie of wat ervoor heeft gezorgd dat iemand hier verblijft. Akelige genen, onnoemelijk veel leed, of een combinatie van beiden?

Mijn vader wordt herkend door een veertiger, die hem enthousiast begroet en vraagt hoe het met hem gaat. Hoewel ik dat sinds zijn diagnose een heel confronterende vraag vind, lijkt mijn vader niet geraakt. “Goed, dankjewel.”

“Ben je weer opgenomen?”

“Nee hoor, ik woon hier nu vlakbij, aan de andere kant van het spoor en kom even een kroket halen. Ik ben met mijn dochter”, zegt hij naar mij wijzend. De man zwaait ter begroeting. Ik zwaai terug. “Waar kende je die man van?”, vraag ik als we aan onze snack zitten. “Van de laatste opname, toen zat hij hier ook al. Een aardige vent.”

Al kauwend voel ik hoe de stress in me toeneemt. Ik wil weg van dit terrein, dat me laat herinneren wat ik wil vergeten. Na zijn kroket wil mijn vader echter nog gebruikmaken van het biljart. En omdat in deze fase van zijn leven alles voor de laatste keer kan zijn, vind ik het ongepast om aan te geven dat ik hier weg wil. Vanaf een afstandje observeer ik mijn vader, zijn krullen die steeds grijzer worden, de groeven in zijn gezicht. Voorovergebogen, met de keu in zijn handen, tikt hij geconcentreerd tegen een bal. De vragen die ik hem nog wil stellen, dansen door mijn hoofd. Vragen vermengd met gebeurtenissen die zich amper twee jaar geleden afspeelden op dit terrein.

 

Op weg naar huis, ben ik zo verzadigd door de intense reis door mijn vaders leven dat ik geen muziek meer kan verdragen. Ik rijd niet harder dan honderd kilometer per uur zodat ik minutenlang op de rechterbaan kan blijven. Het monotone geronk van de motor helpt me ontspannen. Nadat we weer terug naar zijn huis waren gewandeld had ik gewacht tot ik genoeg ruimte bij hem voelde om hem weer wat vragen te stellen. Dat moment had zich aangediend toen hij, na wat gitaarspel, vermoeid op de bank was gaan liggen. Nog één keer maakte hij me deelgenoot van zijn leven. We gingen samen terug in de tijd, stonden stil bij het heden en keken voorzichtig naar de toekomst. Zijn antwoorden waren openhartig en eerlijk. Ook over de liefde, al heeft hij, sinds de dood hem op de hielen zit, wel voorzorgsmaatregelen getroffen door alle liefdesbrieven van zijn vriendin te verbranden. Ik had begripvol gereageerd, mezelf heimelijk afvragend of mijn lief en ik ónze brieven wel veilig genoeg hebben opgeborgen…

Ik luisterde en schreef. En hoewel ik het liefst met hem meebewoog en hem niet graag onderbrak, had ik waar nodig toch stevig doorgevraagd, omdat ik gaandeweg merkte dat het mijn allerlaatste kans zou zijn om met hem de diepte in te gaan. Neem het moment waarop ik hem vroeg of hij iets voor Mees wilde opschrijven zodat hij later een aandenken heeft. “Dat vind ik een heel goed idee. Dan maak ik er ook een tekeningetje bij.” Die uitspraak is meer dan verdacht. Heus, ik vis ze er als een volleerd detective tussenuit. Zoals bij mijn vertrek. Hij gaf me een van zijn zeldzame knuffels en een zoen, en zei: “Ik houd van jou. En als je wilt, schrijf ik dat ook nog voor je op!”

Zulke expliciete uitspraken doet mijn lieve vader niet. Dan is hij op zijn minst hypomaan. Of niet? Wie zegt dat ik dat, gezien de huidige omstandigheden, nog zo stellig kan concluderen? Kan ik nog wel met zekerheid stellen dat dit de eerste symptomen van een naderende manie zijn? Misschien heeft het dit keer niets met zijn wankele brein te maken, maar alles met de kanker die hem over zijn innerlijke drempel heen helpt om woorden te geven aan zijn gevoel. Nee. Want het zijn niet alleen die uitspraken, er zijn meer veranderingen.

Onzichtbaar voor een buitenstaander.

Onmisbaar voor een dochter.

En daarmee is het Grote Afscheidnemen vandaag begonnen.

Ik schrik intens van de claxonerende auto naast me op de snelweg. Een akelige pijnscheut gaat door mijn lijf. Als spast schrik ik snel en hevig. En al heb ik in de basis geen spastisch schuddende ledematen, laat me schrikken en ik beweeg fors. Ontelbaar vaak heb ik zo de inhoud van mijn kop koffie of glas sap over mezelf heen gegooid, over mijn netjes geschreven ansichtkaart of nog erger, over mijn gecorrigeerde druk-proef. Doordat een collega te stil mijn kamer in was gelopen en uit het niets tegen me begon te praten. Doordat een postbode precies op het verkeerde moment aanbelde. Of, jaren geleden, doordat mijn puberbroer een van zijn onvergetelijke dreunboeren liet, die me veelal deden opveren tot nabij het plafond, waarna hij met een grijns opmerkte: “Zussie heeft weer vlieglèèèèès!” Mensen die mij niet goed kennen concluderen tijdens zo’n schrikmoment steevast dat ik een slecht geweten heb. Hoe ik daarop reageer, hangt af van mijn stemming. Meestal met een glimlach, soms met een bevestiging en een enkele keer leg ik de ware oorzaak uit. (Want neem van mij aan, als mijn schrik werkelijk een afspiegeling van mijn geweten was, zou voor mij zelfs de penitentiaire inrichting in Vught nog niet volstaan). Dat mensen erom moeten lachen als ik zo onverwacht de lucht in vlieg, begrijp ik. Het ziet er ongetwijfeld grappig uit. Maar grappig voelen doet het niet. Het gevoel komt misschien nog wel het dichtst bij onder stroom staan, denk ik bij mezelf als ik naar de rode achterlichten van de vrachtwagen voor me staar. Als de schrik weer uit mijn lichaam is verdwenen, dwalen mijn gedachten vanzelf af naar mijn vader en zijn ziekte. Ziektes. “Alsjeblieft… geef me wat extra tijd met hem, laat zijn manie nog even wegblijven”, fluister ik, hoewel ik weet dat een schietgebedje als wapen tegen mijn vaders ontspoorde brein is alsof ik een olifant wil uitschakelen met een waterpistool.

Plotseling beelden, scherp als van een film.

Dreiging. Gescheld. Geschreeuw.

De onmenselijke strijd tussen wet en waan. “Als ik manisch ben voel ik mezelf echt gelukkig, maar ik begrijp dat de manieën voor mijn directe omgeving heel beangstigend moeten zijn geweest”, had hij vanavond gezegd. Het was iets. Maar niet alleen de manie zelf was beangstigend. Minstens zo ingewikkeld was het Grote Niet-Weten. Die voortdurende onzekerheid wanneer het weer mis zou gaan. Want dát het mis zou gaan stond vast: mijn vader behoorde tot de kleine groep patiënten waarvoor het slikken van medicijnen niet genoeg was om het op hol slaande brein tijdig af te remmen. Toch had ik hoop geput uit de kleinste dingen.

Toen het in ’95 een vrij milde ontsporing bleek, ging ik bijna geloven in een ommekeer: wie weet doven de manieën steeds eerder uit en is mijn vader zijn brein op een dag de baas. Die gedachte aan ultieme zelfregie bood me troost en gaf me de moed om voorzichtig toenadering te zoeken zodra de hardheid in zijn stem verdween, zijn schelle lach verstomde en zijn verwilderde blik verzachtte. Geleidelijk vond ik zo mijn lieve, introverte vader weer terug. Maar het was slechts een kwestie van tijd. Ik was als een eindeloos opgejaagde prooi die zichzelf in veiligheid denkt te hebben gebracht, om op een onbewaakt ogenblik alsnog te worden verslonden.

Gekte kent geen genade.